Dit lamlendige gevoel overvalt me te vaak de laatste maanden. Steeds vaker als ik meerdere activiteiten achter elkaar heb gedaan, zonder pauze, begeven m’n gewrichten het en schoppen ze elke vorm van beweging onderuit. Water pakken voor in het koffiezetapparaat, koffiefilter open klappen, deze vullen met het gemalen goedje, het knopje indrukken, een groot geschapen mok pakken, het doorgelopen mengsel in m’n mok deponeren, suiker; niets van dit alles lukt me zonder even rust te nemen. Niet dat het heel erg is, ik heb nu toch geen zin in koffie. Maar goed, er kan altijd zomaar iemand plotseling voor je deur staan. Tenminste, dat hoop ik… te vaak.
Dave legt de post op tafel.
Een maand geleden deed ik nog drie dingen in een klein half uurtje. Twee weken geleden deed ik nog drie dingen in een half uur plus een ingebouwde pauze van vijf minuten tussen de tweede en de derde activiteit. Ook vandaag wilde ik me aan laatstgenoemde houden, maar de twee opeenvolgende activiteiten (plassen en tanden poetsen) kon ik niet meer volbrengen zonder een naar lucht happende pauze in te lassen. Met mijn armen leunend tegen de muur stond ik daar vijf minuten lang te zweten en te hijgen. Ik ben eenenvijftig.
Dave geeuwt.
Déjà vu. Ik draai hem nu al zo’n drie maanden minstens een keer per dag. De pijn van Crosby begrijpt me. Sinds de opkomst van de cd heb ik me gestort op de uitbreiding van mijn vinylcollectie, maar de liefde er voor was al veel eerder aanwezig. Mede door Walter moet ik bekennen, maar na zijn dood ben ik helemaal opgegaan in het afstruinen van rommelmarkten en onafhankelijke platenzaken. Helaas heb ik vorig jaar alle buitenhuiselijke bezigheden op moeten geven. Nu zit ik binnen. Gezellig is anders, een understatement, maar na de beroerte die ik opliep tijdens een bezoek aan de Bijenkorf misschien toch maar beter, zo zei dokter Scherp me.
Dave wrijft over z’n neus en niest.
De naald en het gekraak zijn m’n vader, het balkon, Johnson en de stilte van toen. Het is alsof de lp inhaleert en vervolgens twintig, dertig minuten lang uitblaast. Ja, zonder twijfel: de lp is van een blijvende nostalgie voor mij, een soort levenslange zuurstoffles. Mijn eerste eigen lp kocht ik in oktober 1969 van mijn eigen geld, ik ben er nog steeds trots op. Abbey Road van de Beatles. Zenuwachtig geworden van het krakende inhaleren van de plaat wachtte ik af. Come together was ‘mijn eerste eigen liedje’. Zo voelde dat. Natuurlijk had mijn vader al een hoop lp’s verzameld in de loop der jaren, maar ik mocht ze met geen vinger aanraken. Daar zat ik, alleen in de woonkamer te luisteren, vol ontzag. Wellicht is het ook m’n laatste liedje, weer alleen, maar erger, en ach, misschien ook wel niet…
Dave is eigenlijk het enige wezen op aarde dat nog van me houdt, maar hij wordt ook steeds trager, wandelt steeds langzamer van de mat naar de tafel wanneer de post komt, eet steeds rustiger z’n voer op en volgens mij ziet hij ook steeds minder. Over een week wordt hij al twaalf, wat geen geringe leeftijd is voor een Duitse herder. Ook al wordt hij steeds zwakker, als hij dood gaat vergoelijkt dat niets voor mij. Ik woonde eerst op de tiende etage, maar vanaf de derde, waar ik nu zit, moet er toch ook nog wel een hoop dood gaan wanneer ik zou springen. Maar goed, een slappe wens van een slappe man die te slap is om het te doen.
De enige persoon die nog met regelmaat bij me langskomt is Rita. Lovely Rita (ik plaag graag) is m’n buurvrouw. Een waardig mens. Zij laat Dave elke ochtend en avond uit. ’s Avonds langer, aangezien de hele middag binnen zitten een hoop vergt van ’t lieve beest. Ik heb haar twee maanden geleden maar een sleutel gegeven, want voordat ik de deur maar überhaupt open kán doen, heeft Dave het waarschijnlijk al op mijn duurbetaalde vloerkleed gedaan. Rita is vijfendertig jaar en woont op zichzelf. Ik geloof dat ze ooit getrouwd is geweest, maar daar durf ik niet naar te vragen, zoals dat bij mij met wel meer dingen het geval is. Eigenlijk kan ik het me niet voorstellen dat ze niet zo af en toe ergens een scharreltje opdoet. Haar exotische contouren verraden schoonheid. Ze werkt in het Dijkzigt. Elke ochtend staat ze stipt om half acht voor de deur, met achter die deur een kwispelende Dave. ’s Avonds is dit acht uur. Twee keer per week haalt ze de boodschappen voor me.
Wanneer ze ’s avonds Dave heeft uitgelaten, praten we altijd nog wat en zet zij sinds een aantal weken de koffie. Ik vraag haar dan of ze een plaat op wil zetten. Eigenlijk praten we alleen maar over muziek. Lovely Rita is de laatste maanden verliefd op het geluid van synthesizers, computerdrums en zaal vullende stemgeluiden. New wave heet dat geloof ik, uit de eighties. Ze heeft me het vorige week laten horen. Ik vond het nogal hypnotiserend overkomen, obscuur, niet mijn ding. Deels heb ik het meegekregen, maar U2 lag meer in mijn straatje toentertijd. Ik, op mijn beurt, vertel haar waarom de Beatles beter zijn dan de Stones, waarom Pink Floyd nog beter was geweest mét Syd Barret, waarom Keith Moon de beste drummer aller tijden is en dat Somebody to love van Queen op mijn begrafenis gedraaid moet worden. Uiteraard op lp. Maar wie zouden daar eigenlijk aanwezig zijn, behalve Rita?
Er zullen geen familieleden bloemen plaatsen bij mijn graf. Er zullen geen kinderen zijn die de troostende schoot van moeder zoeken. Er zullen geen vrienden zijn die mijn kist dragen. En er zullen geen collega’s zijn, aangezien ik nu alweer tien jaar arbeidsongeschikt verklaard ben. Alleen Rita zal met Freddy’s klanken mee neuriën. Dood ga ik alleen.
‘Had u er twee of drie klontjes in, meneer Waaijer?’
Rita staat in de keuken en schenkt de koffie in. Mijn hele leven heb ik zwart gedronken, maar sinds mijn beroerte ben ik overgestapt op koffie met suiker. Ik schijn dan meer energie te hebben. Veel merk ik er niet van, maar ik wil dokter Scherp niet teleurstellen.
Ik antwoord niet.
‘Meneer Waaijer?!’
Ik schrik wakker uit mijn te grote fauteuil, te diep verzonken in te veel gedachten.
‘Eh… twee klontjes’ antwoord ik haar verward, in mijn ogen wrijvend.
‘Alles wel goed met u? U oogt nogal vermoeid vandaag.’
Altijd bezorgd, de schat.
‘Zeg toch ‘je’.’
Ik heb een hekel aan al dat formele gedoe, maar Rita lijkt het niet te horen. Het zit vast in haar systeem, gevormd tijdens haar opleiding voor verpleegkundige door zusters van staal. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. De meeste patiënten zijn over de vijfenzestig.
‘Zal ik anders naar huis gaan, zodat u wat eerder naar bed kunt?’
De arme man, denkt ze vast. Dat mag ze niet denken. Als ik iets niet wil, is het medelijden.
‘Nee joh, blijf! Alsjeblieft!’ zeg ik op een bijna smekende toon.
Daar heb ik spijt van. Smeken betekent afhankelijk zijn van iets of iemand. Dat ben ik ook, maar wil het niet. Het is steeds onmogelijker voor me er aan te ontkomen. Twee maanden geleden kon ik alles nog, zo lijkt het nu.
‘Oké.’ glimlacht ze ontroerd. ‘Zal ik hem even omdraaien?’
De lp is nu alweer afgelopen! Was ik een kwartier onder zeil? Kan ik me niet voorstellen. Ik durf het niet te vragen. Met tegenzin drink ik mijn koffie. Carry on, love is coming to us all. Stephen Stills geeft hoop.