Hallo Rood

Hallo rood,

Ik vroeg me af

Dat schijn ik vaak

Maar niet geregeld

’t Is slechts dat ik…

Je moest eens weten!

Maar laat ook maar

Ik ben vergeten

’t Is niet dat ik je helemaal

Of wellicht een heel klein beetje

‘k Moest je zeggen

Jou

Vandaag

Het ging van leegte naar een weetje

En zag ik daar

Daar, in je wangen

Niet de kleur van wat je droeg?

Ach, ik weet niet en niet beter

Doe het graag

En zonder schroom:

Zeggen wat ik zeggen wil

En in de toekomst van je droom

Gegroet,

Blauw

25 February 2008
By on 16:39
Jan

Hij heet Jan. Nou niet echt gelijk de meest inspirerende naam, maar goed, je zal het ermee moeten doen. Jan zit in de bus en is net twee weken 76 jaar. Vrouw overleden, twee kinderen, harde werker geweest in de havens van Rotterdam. ‘Prima kerel’ en ‘noeste arbeider’, zo typeerden zijn werkgevers hem. Helaas is Jan ziek. Jan gaat dood. Tenminste, dat is hem verteld. Hijzelf wil er nog niet helemaal aan, maar volgens de doktoren heeft hij hooguit nog een paar maanden. Jan zit in de bus en is verkouden. Hij probeert het tegen te houden. Lukt niet. Een paar mensen kijken een beetje half naar hem. Je nies inhouden is over het algemeen niet echt handig. Daar komt Jan achter. Zijn neusvleugels spreiden zich en zonder blikken of blozen blaffen er twee enorme druipstenen uit zijn door ouderdom groot geworden gok. Jan ziet niet dat iedereen het ziet. Genant is het woord dat hier op zijn plaats is. Een lief lachende dame van Antilliaanse afkomst pakt een zakdoekje. Ze legt het op zijn schoot. Jan veegt z’n toeter af. Tot dusver alles prima. Wel een paar mensen die bij de aanblik van zijn verkoudheidsperikelen het lachen, alsmede het afgrijzen, niet kunnen bedwingen. De bus stopt bij halte Beukelsbrug. Jan wil uitstappen, maar heeft niet op de stopknop gedrukt. ‘Chauffeur!’ roept Achmed. Chauffeur kijkt en opent de deuren voor Jan. Jan wil uitstappen, maar dat gaat niet vanzelf. Zijn gezichtsveld heeft het afstapje gemist. Jan stuitert 30 centimeter lager met zijn rechtervoet op de stoep en valt vervolgens languit neer, met een klap, op z’n gezicht! Jan ligt verdwaasd. Achmed sprint naar buiten. Ik sprint met hem mee. We tillen de man op en zetten hem neer op de bank in het bushokje. Jan wrijft in zijn ogen. Achmed kijkt me aan. Ik pak m’n mobiel. ’112 bellen?’. Jan zegt niets. Het lijkt weer te gaan. Achmed en ik stappen weer in. De bus rijdt verder. Dag Jan.

3 September 2007
By on 14:29
Zielloos

    De muren zijn grijs, evenals mijn besef van het verleden. Niets was meer helder geweest, maar ach, iedereen moest toch lachen? Lachen, daar gaat het om. Dat is toch het belangrijkste tegenwoordig? Lachen, om het niet onder ogen te hoeven zien. Om het te relativeren. Juist! Dat is het sleutelwoord: relativeren. De onversleten uitvinding van weleer. De geruststelling dat het altijd erger kan en tegelijkertijd de blinddoek om het erge niet te willen aanschouwen. Het niet te hóeven aanschouwen. De gewelddadige dans de rug toekeren door middel van verblindend amusement. Leef ik daar dan in? Doe ik daar aan mee? De vlucht voor het ‘toen’, de vlucht voor het ‘nu’ en de vlucht voor het ‘dan’. Een varken is wijzer. Durft tenminste wel naar z’n eigen stront te kijken.

     Ook het plafond is grijs en leeg. Het bed ligt wat hard, maar slecht is het niet te noemen. De ogen sluiten lijkt me de beste optie. Dat helpt me vergeten. Heb ik het verdiend? Ik weet het niet. Mijn gedachtegoed is niet van zulk een inhumane aard dat ik me daar in zou kúnnen onderdompelen. Tenminste, dat denken we nu. Maar ook toen waren er grotendeels fatsoenlijke burgers die haar medemens een warm hart toedroegen en tóch liepen ze achter die bezemsnor aan. Het is allemaal samen te vatten in een berg dure woorden, maar dat verergerd slechts mijn hoofdpijn. Had ik maar niet zoveel gezopen, dan had ik dat grapje niet gemaakt, dan had ik nu geen zere polsen, dan had ik geen blauwe knieholten, dan had ik geen hoofdpijn, dan had ik hier niet gelegen.

     “Jos, nog een biertje?!” roept Thomas ietwat lallend. Het wordt met de minuut benauwder van de mensen, maar gezellig is het. Lies is er ook. Prachtige vrouw.

     “Ach, waarom ook niet?” probeer ik door het feestgedruis te roepen. Hij verstaat me niet, maar hij is al bezig om het glas vol te gooien. De tapjes verdrinken ons gestaag. We heffen nogmaals het glas en profileren ons langzaam maar zeker als een steeds meer aanwezige factor.

     “Leve de vrijheid mannen!” predikt Bram met een plechtig en droog gezicht.

     “Opdat wij nog maar lang van elkaar zouden mogen genieten in zulks een weelde” vervolg ik op dezelfde toon.

     Na het bier komt de wijn, na de wijn de wodka. De flessen gaan van mond tot mond en de sociëteit host bijkans uit haar voegen. Het plafond draait en de kroonluchters zwieren heen en weer boven de bar. In polonaise deinen we naar buiten en doen een rondje langs de gracht. Lichten gaan aan in de herenhuizen die we passeren. Een man doet met een ruk zijn deur open en probeert ons nuchter te schelden, anders is hij genoodzaakt de politie te bellen. We hebben het niet door en zingen met dubbele tong verder: ‘Vrij zijn! Ik wil alleen maar vrij zijn!’. Niets mooier dan dat. Len Groenwater trekt zijn broek naar beneden wanneer er wat dames langsfietsen. Een hoop gegil en verwensingen is het gevolg. Wij liggen dubbel. Doel bereikt.

     “Jos, doe die imitatie van die chinees nog eens joh!” roept Haan terwijl hij een verkeersbord aan het losschroeven is. Ik zet m’n gezicht in de plooi, druk m’n handen in oosterse gebedshouding en buig driemaal. Er wordt gegierd, geschaterd en gebruld. Het schijnt te werken.

     “Zo weet ik er nog wel een paar hoor!” zeg ik in mijn dronken overmoedigheid. Eerst laat ik ze ‘het duiveltje’ zien; een imitatie gebaseerd op brullende zangers uit de black metal. Vervolgens de uitgemolken types van Hans Teeuwen; nooit een slechte op feestjes waar de alcohol je beste vriend is. “En nu het toch Bevrijdingsdag is en we onderhand al zo’n zestig jaar verlost zijn van die Duitse apen, kan deze ook wel”. Ik hef mijn rechterarm, creëer een snor met twee vingers en brul in snerpend Duits de misselijke woorden “Aufmachen! Aufmachen! Gegen die Mauer! Auch die Kindern!”. Iedereen lacht zich rot. Dan zie ik de man zijn deur dicht slaan. De man die zojuist nog dreigde de politie te bellen. Ik ga met beide benen op de grond staan. Ik slik mijn besef weg. Is dit foute boel? Niemand heeft het door.

     “Zullen we weer naar binnen gaan?!” beveelt Rogier ons meer dan dat hij het vraagt. In polonaise gaat het weer terug de sociëteit in. Ik moet de enige zijn geweest die het door heeft gehad. Alsof er niets aan de hand is, vergeet ik mijn gedachten en verval ik weer in mijn dronken status.

     "Dit is het ANP-journaal van acht uur. Mijn naam is Jeroen Oudhaler. In Delft zijn afgelopen nacht een drietal mannen gearresteerd na racistische uitlatingen en het brengen van de Hitlergroet. De groep zou afgelopen nacht aan de Oude Delft de nachtrust van menig bewoner hebben verstoord. Onze verslaggever Marc de Vreeze is ter plaatse. Marc, wat kun je ons vertellen?"

     "Ja Jeroen, ik sta hier in Delft en heb hier zojuist de ooggetuige kunnen vinden die de politie heeft geïnformeerd heeft over het voorval. Meneer, wat kunt u ons vertellen?"

     "Wat is er gebeurd?! Wat jij dat van het journaal?!"

     "Eh…" aarzel ik, "ja, dat was ik pa".

     "Hoe haal je het in je hoofd druiloor?! En dat op Bevrijdingsdag! Allemachtig!" sist hij getergd door de telefoon.

     "Ik weet echt niet wat me bezielde, pa! Kom op nou! Heb jij nooit een foutje gemaakt toen je dronken was?" probeer ik, smachtend naar een glimpje mededogen. Geen gehoor meer. Een langgerekte pieptoon laat me zuchten.

     Met gebogen hoofd lopen we het bureau uit.

     "Wat bezielt ons?".

8 maart 2007

    

   

8 March 2007
By on 23:11
De tijd

De tijd ligt hier beduusd

Bloedend op een steen

De tijd ging alsmaar sneller

Geen handje vast, maar alleen

De tijd is nu gekomen

Want de tijd is het kwijt

Ooit had de tijd nog dromen

Maar het ging te snel ten spijt…

Van de tijd

Jan bedacht de tijd

Want tijdloos is maar even

Dan weer aan het werk

Om je tijd vol te leven

Bijhouden wordt lastig

Want de tijd gaat snel

En hoe sneller die rottijd gaat

Hoe harder de hel

Van de tijd

Hoe sneller, hoe harder de klap

Kom op: sneller! Voelen die klap!

We hebben ons bewustzijn vertrapt!

KLAP!

De tijd: helemaal zo relatief niet meer

13 February 2007
By on 20:07
Morituri te salutant

Dit lamlendige gevoel overvalt me te vaak de laatste maanden. Steeds vaker als ik meerdere activiteiten achter elkaar heb gedaan, zonder pauze, begeven m’n gewrichten het en schoppen ze elke vorm van beweging onderuit. Water pakken voor in het koffiezetapparaat, koffiefilter open klappen, deze vullen met het gemalen goedje, het knopje indrukken, een groot geschapen mok pakken, het doorgelopen mengsel in m’n mok deponeren, suiker; niets van dit alles lukt me zonder even rust te nemen. Niet dat het heel erg is, ik heb nu toch geen zin in koffie. Maar goed, er kan altijd zomaar iemand plotseling voor je deur staan. Tenminste, dat hoop ik… te vaak.

Dave legt de post op tafel.

Een maand geleden deed ik nog drie dingen in een klein half uurtje. Twee weken geleden deed ik nog drie dingen in een half uur plus een ingebouwde pauze van vijf minuten tussen de tweede en de derde activiteit. Ook vandaag wilde ik me aan laatstgenoemde houden, maar de twee opeenvolgende activiteiten (plassen en tanden poetsen) kon ik niet meer volbrengen zonder een naar lucht happende pauze in te lassen. Met mijn armen leunend tegen de muur stond ik daar vijf minuten lang te zweten en te hijgen. Ik ben eenenvijftig.   

Dave geeuwt.

Déjà vu. Ik draai hem nu al zo’n drie maanden minstens een keer per dag. De pijn van Crosby begrijpt me. Sinds de opkomst van de cd heb ik me gestort op de uitbreiding van mijn vinylcollectie, maar de liefde er voor was al veel eerder aanwezig. Mede door Walter moet ik bekennen, maar na zijn dood ben ik helemaal opgegaan in het afstruinen van rommelmarkten en onafhankelijke platenzaken. Helaas heb ik vorig jaar alle buitenhuiselijke bezigheden op moeten geven. Nu zit ik binnen. Gezellig is anders, een understatement, maar na de beroerte die ik opliep tijdens een bezoek aan de Bijenkorf misschien toch maar beter, zo zei dokter Scherp me.

Dave wrijft over z’n neus en niest.

De naald en het gekraak zijn m’n vader, het balkon, Johnson en de stilte van toen. Het is alsof de lp inhaleert en vervolgens twintig, dertig minuten lang uitblaast. Ja, zonder twijfel: de lp is van een blijvende nostalgie voor mij, een soort levenslange zuurstoffles. Mijn eerste eigen lp kocht ik in oktober 1969 van mijn eigen geld, ik ben er nog steeds trots op. Abbey Road van de Beatles. Zenuwachtig geworden van het krakende inhaleren van de plaat wachtte ik af. Come together was ‘mijn eerste eigen liedje’. Zo voelde dat. Natuurlijk had mijn vader al een hoop lp’s verzameld in de loop der jaren, maar ik mocht ze met geen vinger aanraken. Daar zat ik, alleen in de woonkamer te luisteren, vol ontzag. Wellicht is het ook m’n laatste liedje, weer alleen, maar erger, en ach, misschien ook wel niet…

Dave is eigenlijk het enige wezen op aarde dat nog van me houdt, maar hij wordt ook steeds trager, wandelt steeds langzamer van de mat naar de tafel wanneer de post komt, eet steeds rustiger z’n voer op en volgens mij ziet hij ook steeds minder. Over een week wordt hij al twaalf, wat geen geringe leeftijd is voor een Duitse herder. Ook al wordt hij steeds zwakker, als hij dood gaat vergoelijkt dat niets voor mij. Ik woonde eerst op de tiende etage, maar vanaf de derde, waar ik nu zit, moet er toch ook nog wel een hoop dood gaan wanneer ik zou springen. Maar goed, een slappe wens van een slappe man die te slap is om het te doen.

De enige persoon die nog met regelmaat bij me langskomt is Rita. Lovely Rita (ik plaag graag) is m’n buurvrouw. Een waardig mens. Zij laat Dave elke ochtend en avond uit. ’s Avonds langer, aangezien de hele middag binnen zitten een hoop vergt van ’t lieve beest. Ik heb haar twee maanden geleden maar een sleutel gegeven, want voordat ik de deur maar überhaupt open kán doen, heeft Dave het waarschijnlijk al op mijn duurbetaalde vloerkleed gedaan. Rita is vijfendertig jaar en woont op zichzelf. Ik geloof dat ze ooit getrouwd is geweest, maar daar durf ik niet naar te vragen, zoals dat bij mij met wel meer dingen het geval is. Eigenlijk kan ik het me niet voorstellen dat ze niet zo af en toe ergens een scharreltje opdoet. Haar exotische contouren verraden schoonheid. Ze werkt in het Dijkzigt. Elke ochtend staat ze stipt om half acht voor de deur, met achter die deur een kwispelende Dave. ’s Avonds is dit acht uur. Twee keer per week haalt ze de boodschappen voor me.

Wanneer ze ’s avonds Dave heeft uitgelaten, praten we altijd nog wat en zet zij sinds een aantal weken de koffie. Ik vraag haar dan of ze een plaat op wil zetten. Eigenlijk praten we alleen maar over muziek. Lovely Rita is de laatste maanden verliefd op het geluid van synthesizers, computerdrums en zaal vullende stemgeluiden. New wave heet dat geloof ik, uit de eighties. Ze heeft me het vorige week laten horen. Ik vond het nogal hypnotiserend overkomen, obscuur, niet mijn ding. Deels heb ik het meegekregen, maar U2 lag meer in mijn straatje toentertijd. Ik, op mijn beurt, vertel haar waarom de Beatles beter zijn dan de Stones, waarom Pink Floyd nog beter was geweest mét Syd Barret, waarom Keith Moon de beste drummer aller tijden is en dat Somebody to love van Queen op mijn begrafenis gedraaid moet worden. Uiteraard op lp. Maar wie zouden daar eigenlijk aanwezig zijn, behalve Rita?

Er zullen geen familieleden bloemen plaatsen bij mijn graf. Er zullen geen kinderen zijn die de troostende schoot van moeder zoeken. Er zullen geen vrienden zijn die mijn kist dragen. En er zullen geen collega’s zijn, aangezien ik nu alweer tien jaar arbeidsongeschikt verklaard ben. Alleen Rita zal met Freddy’s klanken mee neuriën. Dood ga ik alleen.

‘Had u er twee of drie klontjes in, meneer Waaijer?’

Rita staat in de keuken en schenkt de koffie in. Mijn hele leven heb ik zwart gedronken, maar sinds mijn beroerte ben ik overgestapt op koffie met suiker. Ik schijn dan meer energie te hebben. Veel merk ik er niet van, maar ik wil dokter Scherp niet teleurstellen.

Ik antwoord niet.

‘Meneer Waaijer?!’

Ik schrik wakker uit mijn te grote fauteuil, te diep verzonken in te veel gedachten.

‘Eh… twee klontjes’ antwoord ik haar verward, in mijn ogen wrijvend.

‘Alles wel goed met u? U oogt nogal vermoeid vandaag.’

Altijd bezorgd, de schat.

‘Zeg toch ‘je’.’

Ik heb een hekel aan al dat formele gedoe, maar Rita lijkt het niet te horen. Het zit vast in haar systeem, gevormd tijdens haar opleiding voor verpleegkundige door zusters van staal. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. De meeste patiënten zijn over de vijfenzestig.

‘Zal ik anders naar huis gaan, zodat u wat eerder naar bed kunt?’

De arme man, denkt ze vast. Dat mag ze niet denken. Als ik iets niet wil, is het medelijden.

‘Nee joh, blijf! Alsjeblieft!’ zeg ik op een bijna smekende toon.

Daar heb ik spijt van. Smeken betekent afhankelijk zijn van iets of iemand. Dat ben ik ook, maar wil het niet. Het is steeds onmogelijker voor me er aan te ontkomen. Twee maanden geleden kon ik alles nog, zo lijkt het nu.

‘Oké.’ glimlacht ze ontroerd. ‘Zal ik hem even omdraaien?’

De lp is nu alweer afgelopen! Was ik een kwartier onder zeil? Kan ik me niet voorstellen. Ik durf het niet te vragen. Met tegenzin drink ik mijn koffie. Carry on, love is coming to us all. Stephen Stills geeft hoop.

20 January 2007
By on 18:26
Het smeult

Zachtjes wordt het hout weer aangeblazen

Niemand ziet het smeulen

Wij wel

Angstig schieten blikken

En tegelijkertijd schatert de biggelaar haar ode aan de vreugde

Het is een puinhoop

De uitweg?

Defragmentatie

17 November 2006
By on 19:28
Te laat

Is dit goed?

Is dit wel verstandig?

Mijn maag schuurt

Als de klinkers vallen

Zwevende delen in de lucht

Antwoorden

Grond

Eindelijk!

Niemand begrijpt dit

Ik mag walgen van mijzelf

Nee, móet het zelfs!

Jij verstaat dit

Als geen ander

Jij deed alles

Jij doet alles

Jij hebt alles gedaan

Met mij

Het spijt ons

Te laat

‘Kut!’, met een biggelaar

14 November 2006
By on 19:17
Jammer, dit alles

Ik begrijp het niet!

Het is te belachelijk voor woorden!

En of het pijn doet, ja!

Ik hak de akkoorden,

Maal de noten fijn

En breek elke balk.

Men ment mij met misselijk makende maatregelen,

Dictatoriale daden,

Terwijl het regime reeds is gevallen.

Ik ben teleurgesteld.

Jammer, dit alles,

Maar het geeft echt niet.

4 November 2006
By on 22:58
Durven spelen

Ze zegt het zacht

Zonder een enkele leegte

Ik dompel onder

Zonder op te spatten

Half werk is niets

Ook de haren worden nat

Gewichtloos beweeg ik voort in haar golvende blik

Het is oké

Het is vol

29 October 2006
By on 15:28
Het zuur

Liberté is relatief

Ik deel alles met mijzelf

Oh, wat ben ik toch open!

Nee, hij heeft geen gelijk

En geef het hem niet snel

Het botte mes is scherp

Frustraties worden fijn gesneden

De bloem verwelkt

Ik ben het onkruid

Mijn mond is gesnoerd

Ik snoer een ander

Op schoot, dát hielp nog eens

Maar de grond is verdwenen

Het anker meegesleurd

In een kolk van wantrouwen

Naar een hoger plan

Zo zegt men

Maar ik heb slechts één hart

Elke klop steekt

Verwijten zijn er niet

Maar wat heeft er werkelijk bijgedragen??!

‘Aan wat?’ vraagt u me?!

Mijn zijn, de contradictie

Slechts gal kan ik meer spuwen

Slechts kussen kan ik geven

Zonder het te menen

Vanwaar de interesse?

Haat de aardigheid

Ik los de steen wel, als ik wil

Vangen is niet nodig

22 October 2006
By on 18:05